zwendel

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

zwendel zn. ‘bedrog, oplichterij’ zwindelen ww. ‘duizelig zijn’

Vroegmiddelnederlands swindelen (1240), zwyndelen (1480) ‘duizelig zijn’, swindelinge (1240), swendelinge (1351) ‘duizeligheid’, versundeld ‘duizelig’ (ca. 1340), Nieuwnl. zwindelen ‘duizelen’ (1582), ook ‘twijfelen, kibbelen; ronddraaien; kriskrassen, dwarrelen’, Nnl. swindelgeest (1580), zwendelgeest (1780) ‘verwarde geest’. Afleidingen: Nnl. swindel (1546), zwindel (1766) ‘duizeligheid’, swindelinghe (1514) ‘duizeligheid’, swindeligh ‘duizelig’ (1676).

Mnl. beswendelt (1399–1410) ‘duizelig’; Nnl. zwendelen ‘oplichterij plegen’ (1775), zwendel-handel (1785), zwendeltje ‘oplichterij’ (1788); swendelaer, zwendelaer ‘boemelaar’ (1774), zwendelaar ‘bedrieger’ (1777), zwendelaarij ‘bedrog’ (1793). Tekstvoorbeeld uit 1785: … overtuigd zynde, dat geen fatzoenlyk Koopman, zich in zodanig een gevaarlyken Zwendel-Handel zou kunnen of durven inlaaten… (Nederlandsche Courant, 2-2-1785; briefschrijver uit Amsterdam). In dialecten zwendelen ‘boemelen, doelloos rondlopen, zwieren’.

Verwante vormen: Ohd. swintilon, Mhd. swindeln, Mohd. schwindeln ‘duizelen’, vanaf de 18e eeuw ook ‘onbezonnen handelen’, later ‘bedriegen’, Schwindel ‘duizeligheid; onvastheid, bedrog’; MoE swindle ‘duizeligheid (1559), swindle ‘bedrog’ (1833), to swindle ‘zwendelen’ (1782).

Het ww. zwindelen is afgeleid van zwinden ‘verdwijnen’ (Proto-Germaans *swindan-) met het suffix -elen voor herhaalde handelingen. Het frequentatief ‘duizelig zijn’ betekende dus ‘steeds even verdwijnen’. Woordenboeken uit de 19e eeuw beschouwen zwindel- en zwendel- als varianten van hetzelfde woord. Gepaard aan de overeenkomsten in betekenis tussen alle afleidingen van zwindel- en zwendel- mogen we besluiten dat Mnl. beswendelt en Nnl. zwendelen door dialectische verlaging van i tot e voor nd zijn ontstaan. Ook het al in 1580 geattesteerde swindelgeest > zwendelgeest wijst daarop.

Het valt op dat de verschuiving van ‘duizelig zijn’ via ‘onbezonnen handelen/rondlopen’ tot ‘bedriegen’ zich, schijnbaar onafhankelijk, in het Nederlands, Duits en Engels van de 18e eeuw heeft voorgedaan. Weliswaar nemen De Vries/de Tollenaere in hun Etymologisch Woordenboek ontlening van zwendelen aan het Duits of Jiddisch aan, maar de klinker klopt niet. Ook betekenissen als ‘twijfelen’, ‘ronddraaien’, ‘boemelen’, die voor zwindelen in de 17e en 18e eeuw worden aangetroffen, laten zien dat zwendelen beter op basis van een interne ontwikkeling kan worden verklaard. Wel is denkbaar dat het gebruik van zwendel als technische term voor ‘bedrog in de handel’ door de gelijkluidende Duitse en Engelse woorden werd versterkt.--Mdevaan 14 nov 2016 22:37 (CET)