zier

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

zier zn. ‘kleinigheid’

Mnl. sieren ‘mijten’ mv. (1287, West-Vlaanderen), zieren (1401–1450); ziere ‘kleinigheid’, bijv. in Daer ne sal niet ane gebreken alse groot alse ene ziere ‘daar zal niets aan ontbreken, zelfs niet zo klein als een mijt’ (van Velthem, Spiegel Historiaal). Nnl. ziere (1528), siere (1538) ‘mijt, luis’, bijv. om de luysen ende sierkens te dooden (1608); zierken ‘heel klein deeltje’ (1569). De uitdrukkingen ‘geen zier’ en ‘niet een zier’ zijn vanaf de zestiende eeuw geattesteerd: hy seede ten heeft mich nyet een zier geholpen ‘hij zei: “het heeft me geen zier geholpen”’ (1535, dagboek van kapelaan Munters uit Kuringen bij Hasselt (Lb.)), haar rechterhand … dooch niet een sier ‘haar rechterhand deugt voor geen zier’ (Souterliedekens, 1540).

Verwante vormen: Oudhoogduits siura f., siuro m., Middelhoogduits siure v. ‘mijt’, Vroegnieuwhd. Seure ‘puistje veroorzaakt door mijten of vlooien’, Zwitserduits Sǖre ‘schurftmijt’, Ripuarisch en Moezelfrankisch zier, zieër ‘mijt; puistje; kleinigheid’; Oudsaksisch siura (nom.sg.), surin (nom.pl.) ‘schurftmijt’, Middelnederduits sure, suer ‘hittepuistje, puist’. De meeste Duitse vormen veronderstellen Westgermaans *seurjōn- f., maar sier(e) in het Brabants, Limburgs en het Rijnlands moet op *seuran- of *seurōn- teruggaan, zonder -j-, anders zou het woord een geronde klinker van het type uu hebben gehad, met i-umlaut van *eu. Oudfrans ciron, sueron, Oudpikardisch suiron ’meelworm, mijt’ is uit Westfrankisch *seur(j)ōn- ontleend.

Andere woorden voor ‘mijt’ zijn afgeleid van ‘snijden’ (Ned. mijt) of ‘malen’ (Dui. Milbe), maar voor de etymologie van *seur- in *seurjōn- bestaat geen enkel evident aanknopingspunt.--Mdevaan 5 sep 2016 21:49 (CEST)


zier zn. ‘kleinigheid’

Te overwegen is dat pgm. *seur(j)ōn- met Schwebeablaut verwant is aan nnl. zweren < pgm. *sweran- ‘pijn doen’, bij de wortel pie. *su̯er- ‘pijn doen, verwonden’ (LIV2 613). Ons woord zou dan met secundaire voltrap gevormd zijn naast de nultrap *sur-, die volgens Kroonen (2013) ten grondslag ligt aan pgm. *surjan- ‘zeuren’.

Het is ook mogelijk dat wgm. *-r- hier via rotacisme teruggaat op pgm. *-z-. In dat geval zou het grondwoord pgm. *seuz(j)ōn- verwant kunnen zijn aan nnl. zoor ‘droog en ruw aanvoelend’ < pgm. *sauza- ‘droog’, bij de wortel pie. *h2seus- ‘droog worden, uitdrogen’ (LIV2 285). De schurft die mijten veroorzaken maakt de huid immers wat droog en schilferig. Bezwaar is wel dat er in het Germaans anderszins geen spoor is van *seuz-. --Olivier van Renswoude 25 sep 2016 12:03 (CEST)