uitleven

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Zich uitleven 'vertier hebben' 1841 als overgankelijk werkwoord (Arnhemsche courant 28-02-1841 [1] "de koning van Holland ... die zijne rustdagen hier schijnt te willen uitleven"), daarna pas weer 1892 in de wederkerende vorm (L. Simons in De Gids [2] "zich uitleven in vrije, hooge eenzaamheid"). Afgeleid van Duits (sich) ausleben.

Veel ouder is uitgeleefd 'aan het einde van zijn nuttig bestaan gekomen', zie Vondel 1640 [3]: "zoo laet u ’s Konings vrouw, een uitgeleefde weeuw, het hair om ’t hoofd beweegen". Hierbij is ook een werkwoord uitleven 1866 'aan het einde van het leven komen', (overgankelijk) 'blijven leven tot het einde van'. Het lijkt me echter dat het tijdsverschil het onmogelijk maakt dat uitgeleefd van dit werkwoord is afgeleid.

-- AE