tweern

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

tweern zn. ‘gedubbeld garen’ twijn zn. ‘gedubbeld garen’

Middelnederlands twern (1477), twaern (1491–1500), Nnl. twern (1566), tweern (1588). Werkwoord: Mnl. twaernen ‘garen dubbelen’ (1423), tweerenen (ca. 1400), Nnl. tweernen (1526), twernen.

Vroegmiddelnl. twijn m. (1286, Dordrecht: van roeden tuine ‘van rode twijn’, een half pont wijt tuijns ‘een half pond witte twijn’), Nnl. twijn (1500), tweyn (1599). Afleidingen: Vmnl. tvinre (1281), Nnl. twijnder ‘iemand die als beroep garen twijnt’; twijndraet (1301-1325), twinen bn. ‘getwijnde’ (1351); Mnl. twinen ww.(1401-1500), Nnl. twijnen (1546) ‘draad dubbelen, draden stevig ineendraaien tot een draad’.

In dialecten: Zeeuws twien ‘garen’, Vlaams twiene ‘garen ineendraaien’, Ravensteins twer ‘twijn’, Zuidutrechts tweerne ‘voortmodderen’, Gronings tweeren ‘zeuren’, tweiern ‘twijnen’. Het Brabants heeft voor het ww. alleen het type twijnen, het Duitse Rijnland voor het zn. alleen het type tweern. In combinatie met het oudere Nederlands kunnen we dus zeggen dat twijn vooral in Holland, Zeeland, Vlaanderen en Brabant thuis is, en tweern in het oostelijk Nederlands en aangrenzende gebieden van Duitsland.

Verwante vormen: Middelnederduits twern, tweern m., Oudhoogduits zwirnēn v., Mhd. zwirn, v. zwirnen, Mohd. Zwirn, zwirnen; Oud-IJslands tvinni m. ‘tweern’, tvinna ww. ‘tweernen’, Oudengels twīn ‘vlasdraad’, ME twyne ‘draad’, MoE twine ‘bindgaren’, Oudfries twīna, twīne, twīn ‘tweeledig; twee’; OIJs. tvennr, tvinnr ‘tweeledig, tweemaal’.

Zowel *twirna- als *twīna- stammen uit Proto-Germaans *twizna- ‘dubbel, tweevoudig’. PGm. *z werd meestal klankwettig tot r in het Noord- en Westgermaans. Voor een stemhebbende dentale medeklinker (d, n) bleef *z blijkbaar iets langer bewaard; hij kon tot r worden, assimileren aan d en n (OIJs. tvinnr), of wegvallen onder vergoedingsrekking van de voorafgaande *i. Zo vinden we per Westgermaans dialect een verschillende behandeling van *zd en *zn in PGm. *mizdō(n)- ‘beloning’ (Oudengels mēd naast meord, Nl. miede), *hezdōn- ‘vlasvezels’ (Nl. hede naast herde), en *liznōn- ‘leren’ (Oudsaksisch līnon naast Ohd. lernon en MoE learn, Nl. leren). In ‘garen’ doet West- en Zuidwestnl. twijn met het Fries en Engels mee (*twizna- > *twīna-), terwijl het binnenland *twizna- > *twirna- vertoont.

PGm. *twizna- kan van PGm. *twis ‘tweemaal’ zijn afgeleid (uit PIE *dwis, cf. Lat. bis), of direct uit een PIE vorm *dwis-no- ‘tweemaal, tweevoudig’ komen, waaruit ook Lat. bīnī ‘elk twee, twee tegelijk’ stamt.--Mdevaan 3 okt 2016 11:15 (CEST)