beamer

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

beamer 1 zn. ‘iemand die ergens mee instemt’

Afleiding van beamen met het achtervoegsel -er, zie → beamen.

Niet vermeld in WNT. De oudste attestatie in de DBNL vinden we in 1817: ‘getrouwer beämer harer duizend en een spook- en tooversprookjes’ (De Wakker van Zon, P., Jan Perfect of De weg der volmaking. J. Immerzeel Jr., Amsterdam, 1834, p. 17).


beamer 2 zn. ‘videoprojector’

Pseudoanglicisme, afgeleid van het Engelse zn. beam ‘straal, lichtbundel’ of ww. to beam ‘stralen’. Het woord bestaat wel in het Engels, maar in niet-verwante betekenissen. Buiten het Nederlands gebruikt ook het Duits Beamer in de betekenis ‘videoprojector’.

Het Duitse woord wordt in verband gebracht met de merknaam Advent VideoBeam 1000, een populaire videoprojector uit de jaren 1970 (Riecke, J., Wich-Reif, C., Das Herkunftswörterbuch, Duden, Berlin, 20206). Als de ANW (s.v. beamer) de opkomst van het woord terecht in de jaren 2000 plaatst, kan dit op een ontlening uit het Duits wijzen.

In de jaren 1960 occasioneel gebruikt in de betekenis ‘iemand die het licht bedient’ (Algemeen Dagblad, 18 maart 1967) en ‘apparaat waarmee het ritme van de muziek kan worden overgebracht op een aantal spots’ (Algemeen Dagblad, 28 januari 1967), maar deze betekenis heeft zich niet doorgezet. Beide attestaties vermelden dezelfde drummer Jan Peter van de Bundt (artiestennaam Jeep).

-- YA