Gebruiker:Lamers

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

God. ‘De almachtige Schepper’. De eerste keer vinden we dit Germaanse woord in de Gotische bijbelvertaling van bisschop Wulfila. Hij was een Byzantijnse Ariaanse bisschop uit Constantinopel met een Griekstalige moeder en een Visigotische (Westgotische) vader die een krijgsgevangene was in Cappadocië, later officier in het Oostromeinse leger. Wulfila leefde van 311–375. In 341 werd hij bisschop gewijd en werkte in Dacia (ongeveer het tegenwoordige Roemenië). Hij vertaalde de bijbel vanuit het Grieks (Pentateuch) en het Latijn (Praevulgata in Vetus Latina) naar het Visigotisch. Naar men aanneemt was deze vertaling in 369 klaar. Deze teksten worden nu bewaard in Uppsala. (Hempel 1966, 10-12). In het Gotisch heeft het woord twee vormen: “guth” en “gud”. In het enkelvoud is de vorm veelal “guth”, maar in Mattheus 8, 29 staat wel “Jesu sunau gudis” ‘Jezus zoon van god’. In het meervoud is de vorm van dit woord steeds “gud-“. Dit woord had een onzijdig woordgeslacht; ook in het Oudnoors en Oudijslands is dit woord “goðr,” ‘het god’. Het is daarbij steeds een a-stam (“*guda” en “*gutha”) die onder invloed van de a-Umlaut in de Germaanse dialecten verschijnt als “god” en “goth”: Oudnoors “goðr” “(godhr”), Oudengels “godh”, Oudhoogduits “got”, Oudnederfrankisch “god” en “got”; Oudfries” god”. De oudste vormen “guth “en “gud” suggereren een Oergermaanse vorm”*guðR”, “gudhR”, waarbij ‘R’ aanduidt dat in de Noordgermaanse dialecten een ‘r’ en in de Zuidgermaanse dialecten een ‘s’ verschijnt; deze ‘s/r’-wisseling vinden we nog in het Nederlandse “verlies/verloor, vries/vroor”. Het Angelsaksisch heeft gudh (guð, uit Oergermaans gunþ = gunth) ‘strijd, gevecht’; in het Oudnoors gunnr ‘strijd, gevecht’ (Boer, 1924, 143). Het moderne Engelse woord “gun” ‘vuurwapen’ is hiermee verwant. In de betekenis ‘het gevecht’ valt het onzijdige woordgeslacht van het Gotisch/Oudnoors/Oudijslands “gud/guth” te begrijpen. De Germaanse oppergod Odin had een blinde, sterke zoon, de ase “Hod” (“Hödr, Hodur”; spr. chod, chödr, chodur); deze naam betekent ‘strijder, vechter’. In de Oudnoorse proza-Edda staat: “Höðr heitir einn ássinn, hann er blindr” (Hödr heet een ase, hij is blind). De Oergermaanse vorm van hod is huðr (spr.‘chuðr’) (Boer, 1924: 118). Mogelijk is dat deze “Hod” ‘strijder’ bij de Goten een bijzondere verering had. De vorm “guds” heeft opgeleverd in het Noors/Deens/Zweeds “gud” (Oudnoors “godh, goð”); Engels “god”; Nederlands “god “en Duits “Gott”. Een taalkundige vraag is, of de woorden “god” en “hod/chod” verwant zijn. In het Indo-europees bestond het consonantensysteem van: k – kh – g (stemhebbende g) – gh; dit werd in het Oergermaans h – ch (zachte, stemloze g) – k – g (stemhebbende g). Het woord “god “had een “kh” en het woord “hod” als beginconsonant een “h” (“ch”). Het woord “Hod/Chod“ behoort tot de eigennamen, die zich vaak onttrekken aan de algemene wetten van de klankverschuiving. De woorden “goð” en “hoð / chod” hebben dezelfde betekenis, nl. ‘vechter, strijder’. Daarom is de (voorzichtige) conclusie dat (1) de ase Hod/Chod de grote Strijder was van het volk der Gothen (‘strijders’), mogelijk hun hoofdgod; zij waren immers als oorlogszuchtig volk letterlijk ‘strijders’. (2) reden waarom Wulfila “guda” en “gutha” als vertaling van “Deus/ϑεος” koos. De eerste verkondigers van het Christendom waren vaak zeer vindingrijk om het heidendom uit de harten der mensen te verdrijven; heidense godheden en gebruiken kregen een christelijke tint, al bleef de heidense kleur hier en daar kenbaar. De oudste vermelding van het volk der Goten (Gothen) is bij Plinius de Jongere (62-113) die dit volk in het Latijn noemt de “Gutones”; latere schrijvers vermelden “Got(h)ones, Got(h)ae, Got(h)i”. Hoogstwaarschijnlijk werd deze Latijnse benaming overgenomen als “goten” met “t” en ook de lange “ō”, terwijl de oudste vormen wijzen op een korte “ŏ”. Het Engels en Frans hebben nog deze korte “ŏ” in hun “goths” Het land waar deze Gothen hebben gewoond is Zuid-Zweden met de benamingen: “Gautland” (in de Beowulf met het volk “Geats”), “Göteland, Göteborg”, in Denemarken “Jutland (> *Gotland”), in de Oostzee ligt een eiland “Gotland”. Mogelijk heeft het woord “Jötunheim”, verblijf van de Germaanse reuzen, ook verband met “Jutland” en aldus met “gudh, guð. Jötunheim” betekent dan ‘huis van de strijders’. Literatuur. Boer, R.C. Oergermaansch handboek. Haarlem, Tjeenk Willink, 1924. Hempel, H. Gotisches Elementarbuch; grammatik, texte und Übersetzung mit Erläuterungen. Berlin, Walter de Gruyter. 1966.