ontspruiten
Uit spruiten 'loten vormen' met een voorvoegsel ont- dat vermoedelijk de betekenis 'beginnen met' heeft als in ontspringen.
"Der Ebreën gewoonten, zeden ende manieren; ende waer uyt sommige van de selve ontsproten zijn" - register van de Lutherse Bijbel 1648; "...zo dat 'er ligtelijk zulk een Dialect-verschil ontspruiten kan tusschen Volkeren, die zoo vele Eeuwen van elkander gescheiden zijn geweest" 1723; "Nu, in een gierige Eeuw, een dubbele Oogst ontspruit." - 1724