penningmeester
Samenstelling van penning 'zekere munt', in de algemenere betekenis van geld, en meester 'gezaghebber', dus de persoon die het gezag heeft over het geld. Oudste gevonden vermeldingen zijn uit de 16e-17e eeuw, in welke tijd de term in gebruik was voor de verantwoordelijke van de financiën van een waterschap: "Jacob Campe, penningmeester van de Oostwatering en der buitendijksche werken van de Vijfambachten benoorden der Vere" (1580, [1]), "Want waar souwen de Waarden, Pachters, Penningmeesters tgelt haalen, // Daar de Staten der Steden me versien, en de Soldaten me betaalen?" (Bredero 1615, [2]), " Corn. Mich. Soetens, bedienende het penningmeesterampt van Delfland" (1664 [3]). De moderne betekenis als geldbeheerder van een vereniging of dergelijke kan worden gezien bij de 'Maetschappye der Nederlandsche Letterkunde' in 1766-1767.