rederij

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

rederij zn. ‘bedrijf dat schepen exploiteert’

Mnl. rederie ‘het bereiden van laken’ of ‘zaak waar laken bereid wordt’ in rederiën van dickedinnen lakenen [1363; MNW]; vnnl. re(e)derij(e) ‘het vervaardigen van bepaalde producten’ [1562; WNT], ‘fabriek’ [1649; WNT], maar ook ‘exploitatie van schepen’ [1629; WNT] en ‘scheepvaartbedrijf’ in de Oost-Indische compagnien ende aller andere vremder vaerten reederyen [c. 1600; WNT].

Afgeleid van mnl. re(e)den ‘gereedmaken’ met het achtervoegsel → -erij, zoals boerderij afgeleid is van boeren. Volgens WNT in de betekenis ‘scheepvaartbedrijf’ afgeleid van reder ‘scheepsexploitant’ met het achtervoegsel → -ij, allicht omdat het hier gaat om een groep van reders die beslist hebben om samen te gaan ondernemen, zie ook → reder. Een betekenisverschuiving is echter ook denkbaar, vooral omdat het woord al in het mnl. zowel een abstracte als een concrete betekenis had.

-- YA