gebaren

Uit Etymologiewiki
Versie door Mdevaan (overleg | bijdragen) op 19 aug 2015 om 17:13
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

gebaren ww. ‘gebaren maken’ Vmnl. geberen (1265–1270) naast ghebaren (1285) ‘zich gedragen; tekeergaan’. In de dertiende eeuw vinden we systematisch geberen in Brabant, Limburg en aan de Nederrijn, tegenover gebaren in Vlaanderen. Dat klinkerverschil wijst op een Westgermaanse klinker *ǣ met i-umlaut, die in het Oostnederlands ee of ieë werd maar in het Westnederlands, zonder umlaut, aa opleverde (zoals bijv. in schaar en haring). De betekenis ‘tekeergaan’ heeft zich via ‘aanstellen’ uit ‘gebaren maken, zich gedragen’ ontwikkeld. Zowel ‘zich vertonen’ als ‘tekeergaan’ blijven in het Mnl. naast elkaar bestaan. Nnl. ghebaren ‘heftige gebaren maken’ (1528), ‘veinzen’ (1653). Zie het lemma gebaren in EWN voor verdere details, zoals dat de huidige betekenis ‘gebaren maken’ recent is, en wschl. onder invloed van het zn. gebaar is ontstaan. Verwanten: Oudsaksisch gibārian, Mnd. gebēren, Oudhoogduits gibāren, gibārōn, Mhd. gebæren, gebāren (Nhd. gebaren), Oudengels gebǣran ‘zich gedragen’.

Daarnaast het zn. gebaar zn. ‘geste’, dat al in het Oudnederlands geattesteerd is. Zie het EWN s.v. gebaar voor de details. Bij gebaar bestaat in het Vroegmiddelnederlands dezelfde klinkerverdeling als bij ‘gebaren’, nl. tussen westelijk ghebare en oostelijk gebere. Het zn. gaat terug op PGm. *ga-bǣr-ja-, met als verwanten onder andere OS gibāri, Mnd. gebere, Ohd. gibāri ‘zich gedragend’, OFri. ibēr m. (*ga-bǣr-) en bēre v. ‘uiterlijk vertoon, gebaren’.

Een andere afleiding is Mnl. ghebaerde (1315–1330), gheberte (Limburg), Nnl. gebaarde (tot ca. 1900, literair) die overeenkomt met OS gibāritha ‘manier van doen, uiterlijk’, Mnd. geberde, Ohd. gibārida ‘gedrag’, Mhd. gebærde, Nhd. Gebärde ‘gebaar, manier van doen’. Met een andere voorvoegsel: misbaar, dat vanwege Mnd. misberen eerder *bǣrja- bevat dan *bara-.

De recentste etymologische woordenboeken claimen dat gebaar werd afgeleid van het ww. gebaren ‘zich gedragen’. Dat lijkt me minder waarschijnlijk dan het omgekeerde, omdat de ablautvariant *bǣr- in het Germaans vooral in nominale formaties thuis is (zoals in het suffix Ned. -baar uit *bǣri-). Bovendien is het prefix ga- in *ga-bǣr-ja- ‘gedrag’ verklaarbaar als collectiefprefix, terwijl het in *ga-bǣr-jan- ‘zich gedragen, tekeergaan’ niet de perfectieve betekenis vertoont die ga- in werkwoorden meestal heeft. Dit *bǣr-ja- is uiteindelijk afgeleid van de zeer productieve Germaanse wortel *ber- ‘dragen’, waaruit o.a. Ned. ont-beren en baren ‘voortbrengen’ (ouder beren) voortkomen.--Mdevaan 19 aug 2015 17:12 (CEST)