schaamdeel, schaamlippen, schaamstreek, schaamhaar

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Het gebruik van het woord "schaam" in bijvoorbeeld "schaamdeel" heeft een lange voorgeschiedenis. Zo komt er bijvoorbeeld in de Bijbel een tekst voor waarin uitdrukkelijk bevolen wordt om de geslachtsdelen zorgvuldig te bedekken, zodat het niet uitzonderlijk is dat men dan verwacht dat men er zich ten opzichte van de buitenwereld bij het ontbloten voor schaamt. In een recente Nederlandse vertaling van een Bijbelse tekst vindt men bijvoorbeeld: "De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig."

Bij Cornelis Kiliaan (ca.1529-1607) in "Etymologicum Teutonicae Linguae" uit 1599 vinden we in verband met de geslachtsorganen al de term "schaemelheyd" voor de mannelijke en de vrouwelijke schaamdelen en ook "schaemel-hayr" en "schaemelheyd hayr". Het woord "scamelheyt" treffen we ook aan in "Dat Epitome ofte Cort Begrijp der Anatomien" uit 1569, dat een Nederlandse vertaling is van een in 1543 in het Latijn verschenen werk van Andreas Vesalius (1514-1564). De Vlaamse arts Jan Palfijn (1650-1730) wond er geen doekjes om wanneer hij het heeft over de schaamdelen: "De uytwendige Teeldeelen der Vrouwen, die buyten 't snyden zichtbaar zijn, worden gemeenlijk ook Schaam-deelen genaamt, om dat zy van een Vrouw van verstand, nooyt zonder Schaamte ontbloodt, maar met alle mooglyke zorg bedekt worden." in: "Heelkonstige Ontleeding van 's Menschen Lichaam" (1733, 2de druk). [WD]