saur

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Ik doe een gooi: Philippa verklaart het woord "zuur" als volgt: "Ohd. sūr (nhd. sauer); oe. sūr (ne. sour); nfri. soer; on. súrr (nzw. sur); alle ‘zuur’, < pgm. *sūra- ‘zuur’. Ook overdrachtelijk in: os. en ohd. sūrougi; oe. sūrīge; on. súreygr; alle ‘leepogig, met tranende ogen’. In het Noord-Germaans kan sur ook ‘nat, vochtig, waterziek’ betekenen, i.h.b. gezegd van grond." (zie [[1]]).

Vooral de laatste verwijzing "nat, vochtig, waterziek" is natuurlijk interessant voor een buurtschap vlak bij een rivier.

De oude toevoeging "most" moet beslist hierbij betrokken worden, het is in de loop van de tijd afgevallen, dat zie je wel vaker: "kachel" is een leenwoord uit het Duits en afgeleid van "kachelofen", hetgeen daar "tegeloven" betekende. Dat begrip hebben wij geleend, na verloop van tijd viel "ofen" af (spraakluiheid) en bleef "kachel" over. Helemaal fout want het betekende "tegel" maar goed wij weten niet beter dat er een verwarmingstoestel mee bedoeld is.

Most is m.i. afgeleid van het woord mose. In het Oudnederlands betekende dit modder, slijk, e.d. De -t is waarschijnlijk de Protogermaanse locatieve naamvalsuitgang ofwel plaatsbepaling, in modern Nederlands zou Saurmost dus "in/van/op de plek waar het nat en modderig is" vertalen. deze oude uitgang zie je bijv. ook terug (niet 100% zeker overigens) in "mijnent" in mijnentwege, letterlijk dus de weg die van mij afloopt.

-- Stoffel