ietsepietsie

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Diverse attestaties van voor 1950:

  • Het nieuws van den dag voor Nederlandsch Indië 26-07-1913: "een klein ietsepietsje boffen"
  • De Tribune 16-01-1922: "Een ietsiepietsie ontroering in de zaal"
  • Nieuwe Rotterdamsche Courant 19-05-1922: "Ze zijn aan het slot een ietsepietsje ontnuchterd"
  • Maddy Vegtel: Zijn Vrouw. In De Kroniek 1924/7[1]: "door dat paars heen iets van zilvergrijs en een ietsepietsje oud-rose"
  • De Gemeenschap 1930[2]: "een ietsepietsie donkerder"

In bovenstaande attestaties functioneert "een ietsepietsje" als telwoord. Als werkelijk zelfstandig naamwoord wordt het aangetroffen in:

  • Ernst Kos: "Een kans-kans?!" In: Nieuwsblad van Friesland. Hepkema's Courant 27-05-1936: "Is 't te hopen, dat U ditmaal // Eens de kans grijpt, die men biedt, // En een ietsepietsie door de Excellente vingers ziet!"
  • Jan Greshoff: Legkaart 1947[3]: "zonder iets, het kleinste ietsiepietsie, het geringste stofje"

-- AE