geneuzel

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

geneuzel 'gezeur, geklets' 1936 Koenen. De betekenis 'zacht, zeurderig geluid' 1908 is vermoedelijk ouder. Afgeleid van thans verouderd neuzelen 'door de neus praten, onduidelijk spreken'.

--AE