foppen

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

foppen ww. ‘beetnemen, op onschuldige wijze bedriegen’

De vormen wijzen gezamenlijk duidelijk op een onderliggend werkwoord van het soort dat uitvoerig is beschreven door Kroonen (2011, 2013), met iteratieve lading en ongelijk paradigma: pgm. 3ev. *fuppōþi, 3mv. *fubunanþi < pie. 3ev. *pup-néh2-ti, 3mv. *pup-nh2-énti. Hiermee is ook een hoge ouderdom bevestigd.

De wortel *peup- ware naar diens vorm van klankschilderende aard, vergelijkbaar met Latijn pīpāre ‘sjirpen, kwelen, piepen’, en vinde zijn voortzetting ook in het zeldzame en laat overgeleverde pgm. *feufan- ~ *fūfan- (streektalig nzw. fjova, fjuva ‘gieren, van pijlen e.d.’, nnl. fuiven), een klasse 2 sterk werkwoord.

De grondbetekenis van de wortel ware dus ‘een hoog geluid maken’ en kon zich in de afleidingen ontwikkelen tot ‘gieren’, ‘gek doen’ en ‘voor de gek houden’. Verwant is dan ook nnl. foef, oorspronkelijk een streektalige vorm van nnl. fuif.

[O.E.C. van Renswoude]


Verwijzingen: Kroonen, G., The Proto-Germanic n-stems (Amsterdam, 2011), Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013), Vendell, H., Ordbok över de östsvenska dialekterna, första häftet (Helsingfors 1904)