foefje

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

foefje zn. ‘truc, handigheidje’

Gezien Gronings foef, Oostfries fùfe en Zweeds fuffens is de klank van foef(je) eerder streektalig en is het woord te vereenzelvigen met nnl. fuif ‘feest’ en verwant aan nnl. foppen ‘beetnemen’.

[O.E.C. van Renswoude]