eins

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

eins zn. ‘hengsel, oor’

Mnl. hense, heise, heyse ‘handvat, oor, hengsel’ in hense, ansa [1300; Diut.], datter twintich (zielen) aen dooren (van den ketel) hanghen, ende aen den heyse bicans een duyst [1401; Sacr.], heise, ansa, een hanthave of heise van een cruic of canne [1544; Ant. Lied.], zuidelijk vnnl. eins, einze, eis, heins, heinze, heis, in chartilagen, vleesch, vel, en beenen, als stomme heinzen [1548; Const v. Rhetor.]

Mnd. ose ‘handvat; lus, strik’ (Twents euzen mv. ‘oogvormige opening’, Gronings ouzen mv. ‘id.’; > nhd. Öse ‘oog van een naald, voor een haakje’), nfri. oes ‘oogje voor draad, touwgat’, me. *ose, nose, *nese ‘lus, strik’ (ne. noose, dial. oose, neese), on. æs ‘vetergat’ < pgm. *ansō-, *ansjō-.

De Nederlandse vormen gaan terug op de vorm *ansjō-, waarbij de -a- door i-umlaut tot -e- werd en vervolgens na een gedekte neusklank tot -ei-, zoals bijv. in nnl. peinzen en einde. De oneigenlijke h- van sommige vormen is ontstaan door hypercorrectie na het wegvallen van h- in verscheidene streektalen, zoals in nnl. hozen, en/of door vergelijking met woorden als hengsel en hijsen. Het ontbreken van de -n- in sommige vormen kent zijn weerga in bijv. peizen naast het reedsgenoemde nnl. peinzen.

Weijnen (2003) meent het woord ook te herkennen in het eerste lid van (Noord)nederlands ooshout ‘dwarshout waaraan de paardenstrengen vastgemaakt worden’, maar mogelijk is daar sprake van een ander woord, te weten pgm. *ansa- ‘balk’ (mhd. ansboum, on. ás).

Het Engelse woord wordt ook wel vermoed als ontlening aan Oudfrans nous ‘knoop’, maar hoort mede gezien de gewestelijke vormen oose en (met i-umlaut) neese eerder bij de onderhavige groep. De n- is overgenomen van het onbepaald lidwoord na een verkeerde woorddeling, zoals bijv. ook in a nickname (< an eke name). Vergelijk omgekeerd ne. adder, nnl. adder naast nhd. Natter.

Verwanten buiten het Germaans zijn o.a. Grieks hēsía mv. ‘teugels’, Latijn ānsa ‘handvat, oor’, Oudiers éis(s)i mv. ‘teugels’ en Lets ùosa ‘handvat, oor, oogje’, van de wortel pie. *h2ens-.

[O.E.C. van Renswoude]


Verwijzingen: Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013), Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk ('s Gravenhage, 2003)