ei

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

ei tw. uitroep van verrassing Mnl. eij ‘ziet!’ (1477, Delftse Bijbel), Vnnl. ey, bijv. in ey goede ende getrouwe knecht (Vorstermanbijbel, 1531), Eij, wij hebben nu de hueverhandt; de ghues zijn tondere (van Vaernewijck, 1567). Voornamelijk nog in Belgisch Nederlands in gebruik, bijv. in de vaste verbinding ei zo na ‘op een haar na’ (Ei, zoo na!, Conscience, De plaag der dorpen, 1875). Verwante vormen: Mhd. ei, eiā, Nhd. ei.

In 1916 zegt het WNT over ei reeds dat het “niet meer algemeen” is. Uit de moderne Noordnederlandse spreektaal is ei verdwenen.

De uitroep ei heeft een minder typische (maar niet onmogelijke) vorm voor een expressieve uitroep. Dat kan een reden zijn om ei als voortzetting van een Oudgermaans *ai te beschouwen, al lijkt de vrij late attestatie van ei daartegen te pleiten. Gezien het bestaan van he naast ha als Nederlandse uitroepen van verbazing en blijdschap kan nieuwvorming van ei naast ai niet worden uitgesloten. Latijn hei ‘wee’, Grieks eĩa ‘komaan’ lijken qua vorm weliswaar op Nl. ei, maar kunnen er niet klankwettig mee verwant zijn.--Mdevaan 9 aug 2015 13:07 (CEST)