dal

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

dal zn. ‘stoeptegel, terrastegel’

Ontleend aan Frans dalle ‘plavuis, tegel’ [1834 ; TLFi, s.v. dalle 1], eerder al ‘daktegel’ [1676 ; TLFi, s.v. dalle 2] < Normandisch dalle ‘gootsteen’ [1331 ; TLFi, s.v. dalle 2], waarschijnlijk ontleend aan Oudnoors dæla ‘goot’, zie → daal.

Vooral in Belgisch-Nederlands gebruikt, met zowel een Franse meervoudsvorm dals als een vernederlandste meervoudsvorm dallen. Zie ANW, s.v. dal B.1 voor meer informatie.