daas1

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

daas 1 zn. ‘steekvlieg’

Er is inderdaad geen verband tussen daas ‘brems’ en daas ‘suf’, daar het tweede met onder meer nnl. bedaren ‘kalmeren’ en on. dæsinn ‘lui, traag’ behoort tot de groep van pgm. *dēs-, *das-, *daz-. Deze is de voortzetting van pie. *dheh1-s-, *dhh1-s-, een uitbreiding bij *dheh1- ‘(zich) leggen, zetten’, waarvoor zie nnl. doen.

Het voorstel van Goossens (1985) tot een grondvorm pgm. *dawas- is echter ook af te wijzen. Een tweevoudige voltrap binnen een enkele wortel is niet aannemelijk en het is onwaarschijnlijk dat een intervocalische /w/ zich zou ontwikkelen tot de /v/, /f/ en /p/ van vormen als mnl. dauese (l. davese), Twents daafsche en Limburgs daps, daops. Hier is dan ook sprake van een oorspronkelijke intervocalische /b/ die na klankwettige verschuiving tot /v/ en /f/ is weggevallen zoals in nnl. heus, mnl. huesch tegenover nnl. hoofs, mnl. huefsch, huevesch, hoofsch, hovesch en nhd. hübsch.

Er is daarmee een veel eenvoudigere duiding mogelijk: het woord komt van een pgm. *dabusjō- als afleiding bij *dabōn- (vnnl. daven ‘razen, tieren’, nnl. daveren ‘dreunen’), zoals brems ‘daas’ van *bremisjō- bij *breman- (mhd. bremen ‘dreunen’).

--Olivier van Renswoude 11 jan 2017 12:21 (CET)