boel

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

boel 2 zn. ‘liefje; overspelige’

Ten grondslag ligt toch wel een bijvoeglijk naamwoord *bōli- ‘lief’, waarvan mnl. boel (nnl. boel) en met i-umlaut (Gelders) mnl. buel. Daarnaast de zwak verbogen vorm *bōlan- ‘lieve’, waarvan mnl. boele, mnd. bole, mhd. buole (nhd. Buhle) en ten slotte de wijdverbreide eigennaam Boele (ohd. Buolo, oe. Bóla enz.), die moeilijk gescheiden te houden is. Vergelijk het gebruik van lief, liefje en de eigennaam Lieve.

Dit *bōli- ‘lief’ heeft de vorm van een vṛddhi-gerundivum –dus beter te verstaan als ‘beminbaar; in staat te beminnen’– en wijst op afleiding bij een verloren klasse 6 sterk werkwoord *balan- ‘beminnen’. Een zelfde soort afleiding is *fōri- ‘begaanbaar; in staat te gaan’ (on. fœrr) bij *faran- ‘gaan’ (on. fara, nnl. varen), waarvoor zie Kroonen (2013).

Het werkwoord *balan- ‘beminnen’ zou vervolgens de voortzetting kunnen zijn van een o-trap-iteratief bij pie. *h1gwhel- ‘wensen, begeren’ (LIV2 246), zoals het reeds genoemde *faran- bij pie. *per- (LIV2 472). Dit zou de aanname versterken van de nog omstreden klankontwikkeling van pgm. *b- uit pie. *(H)gwh-, zoals voorgesteld door Seebold (1967).

[O.E.C. van Renswoude]


Verwijzingen: Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013), Seebold, E., “Die Vertretung idg. guh im Germanischen” in Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung auf dem Gebiete der indogermanische Sprachen, 81. Bd., 1./2. H. (1967), blz. 104-133.