blein

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

blein zn. ‘blaar’

Mnl. bleine ‘blaar’ (1287, WVla.), Vnnl. bleyn (1561). MoWfri. blein. In veel moderne dialecten is het woord nog bekend als ‘blaar’ of in meer gespecialiseerde functies, bijv. ‘zoolzweer’ van een rund, in Vlaanderen. Verwante vormen: Oudengels blegen, MoE blain ‘blaar’, Ouddeens blen, blene, Oudzweeds blena ‘blaasje’. De Wgm. vormen veronderstellen een v. zn. *blē-ja-nō- of *blē-inī- ‘zwelling’, waaruit Oudned. *blā(j)in(j)ō- > Laatoudned. *blaino-. Daarvan viel de klinker samen met die van *klainja- > Ned. klein (een Pgm. vorm *blainōn- zoals bij de Vries/de Tollenaere wordt gereconstrueerd zou in het Westned. *bleen worden).

De precieze reconstructie van het suffix is onzeker, maar het woord is duidelijk een afleiding van het Pgm. ww. *blē-an- ‘blazen; opzwellen’ dat in het Ned. door blaaien ‘waaien, wapperen’ wordt voortgezet. In dat ww. vinden we in het Duits in historische tijd een betekenisovergang van ‘blazen’ naar ‘opzwellen’, die voor het zn. ‘zwelling’ al in Wgm. tijd moet zijn gebeurd. Dezelfde verschuiving in betekenis heeft overigens ook tot het zn. blaas ‘zwelling’ uit blazen geleid. --Mdevaan 1 sep 2014 09:46 (CEST)