blaaien

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

blaaien ww. ‘waaien, wapperen’

Mnl. blay(en) ‘laaien’ (1276-1300; VMNW), blayde ‘wapperde’ (Melis Stoke, Rijmkroniek, ca. 1300), Vnnl. blayen (1544) ook ‘ophef maken’, blaeyen (1588), blaaien. Na de 17e eeuw uit de schrijftaal verdwenen, maar in nog in diverse dialecten bewaard als ‘blazen van vermoeidheid of hitte; ophef maken, opscheppen; met de benen naar buiten lopen (van een paard)’, o.a. in Groningen, Schouwen-Duiveland, ZO-Brabant, en ‘laaien, flikkeren (van vuur); wind maken’ in Vlaanderen.

Verwante vormen: Ohd. blāen ‘blazen’, Laatohd. ptc. inblahen ‘opgezwollen’, Mohd. blähen ‘opblazen, doen zwellen’, Oudengels blāwan, Oudfries bliā ‘blazen’. Uit een Pgm. sterk werkwoord *blē-an- ‘blazen; opzwellen’. De invoeging van j in het Ned. en w in het Engels en de afwezigheid van een tussenklank in het Duits zijn vergelijkbaar met de situatie bij maaien en zaaien. Blaaien is van dezelfde PIE wortel voor ‘blazen’ afgeleid als blazen. In oudere woordenboeken wordt die wortel als *bhlei- gereconstrueerd, tegenwoordig als *bhleh1-; zie Kroonen 2013: 67–68. Een verwant woord is Latijn flāre ‘blazen, waaien’.

Omtrent het waarschijnlijk niet verwante blaaisteren ‘branden, flikkeren’, zie de Tollenaere, TNTL 86, 1970, 1–31. --Mdevaan 1 sep 2014 09:49 (CEST)