bedaren

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

bedaren ww. ‘tot rust (laten) komen’

De verhoudingen lijken als volgt te zijn:

Mnl. bedaren ‘zich bedwingen’ (nnl. bedaren), oe. darian ‘zich stil houden’ (me. daren) < pgm. *dazēn- ‘zich gelegen/gezeten houden’, een duratief werkwoord.

On. dasast ‘moe, uitgeput raken’ (nijsl. dasa ‘moe worden’, nno., nzw. dasa ‘luieren’, nde. dase ‘lui zijn’) < pgm. *dasōn- dan wel *dasēn-, een Verner-nevenvorm van het vorige werkwoord.

Os. derni ‘verborgen’, ohd. tarni ‘id.’, oe. dierne ‘id.’ < pgm. *daznja-, ouder *dazna- ‘(uit het zicht) gelegd/gezet/geplaatst’ of ‘stilgehouden’.

On. des ‘hooimijt’ (nijsl. des ‘id.’, nno. desja ‘kleine hoop’) < pgm. *dasjō(n)- ‘bijeenlegging/-zetting/-plaatsing’

Mnl. daes ‘suf’ (nnl. daas), on. dási ‘stumper’ (nno., nde. dåse) < pgm. *dēsa- ‘geneigd tot liggen/zitten, zich niet of nauwelijks bewegende’.

Vnnl. bedaest ‘stil van schrik, ontzet, versteld’ en met i-umlaut bedeest (nnl. bedeesd ‘beschroomd, verlegen’), on. dæsa ‘op iets blazen, geringschatten’ (eig. ‘blazen van vermoeidheid, moe zijn’), dæsinn ‘lui, traag’, dæstr ‘afgemat’ (nijsl. dæsa ‘blazen, steunen’, dæsast ‘bijna omkomen vanwege kou of smart’, nno. dæsa ‘uitgeput zijn vanwege vorst of slecht weer’) < pgm. *dēsjan-, een afleiding van het vorige woord.

De onderliggende wortel *das-, *dēs- ‘(zich) leggen, zetten, plaatsen’ is de voortzetting van pie. *dh(e)h1-s-, een s-uitbreiding bij pie. *dheh1- ‘leggen, zetten, plaatsen, verrichten’ (LIV2 136), waarvan de o-trap *dhoh1- leidde tot pgm. *dōn- (nnl. doen). Buiten het Germaans vinden we tevens met s-uitbreiding o.a. Sanskriet dhāsatha ‘(gij) zult verlenen’ en Grieks thḗsō ‘(ik) zal zetten’.

Niet verwant zijn nnl. dazen ‘raaskallen’, ne. daze ‘doen duizelen’ < pgm. *dasēn-, een late, secundair ablautende nevenvorm van pgm. *dusēn- (waarvoor zie nnl. duizelen) en nnl. dwaas < pgm. *dwēsa-, al heeft het ongetwijfeld invloed uitgeoefend op pgm. *dēsa- hierboven.


[O.E.C. van Renswoude]