bazelen

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

bazelen ww. ‘onzin praten’

Nfri. baze heeft naast ‘razen, ijlen’ ook de (waarschijnlijk oudere) betekenis ‘pochen, grootspreken’. Deze groep werkwoorden is vervolgens te herleiden tot pgm. *basan- ‘krachtig spreken, gebieden’, waarvan de afleiding *basa- ‘gebiedend, gebieder’ (nnl. baas), en waarnaast de nevenvorm *bassan- (mnl. bassen ‘schreeuwen, blaffen, aanhitsen’, nnl. bassen). Vergelijk de afwisseling van *bakan- en *bakkan- (nnl. bakken).

Dit *basan- zette pie. *bheh2-s-, *bhh2-s- voort, dat net als gr. phēsō ‘zal zeggen’ een s-uitbreiding ware van de wortel *bheh2- ‘spreken, zeggen’, waarvan anderszins pgm. *bannan- ‘gebieden’ (nnl. bannen).

[O.E.C. van Renswoude]