baren

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

baren ww. ‘schreeuwen’

Oudnederlands baroda ‘openbaarde’, rebaredos ‘jij hebt blootgelegd’ (*ir-bar-) (Wachtendonckse Psalmen, 10e eeuw), Vroegmiddelnederlands baren ‘tevoorschijn brengen, bekendmaken’ (1276–1300), ‘zich vertonen’ (1265–1270), ‘tekeergaan’ (1287); daarnaast verbaren ‘tonen, verschijnen’ (1285). Ook na 1300 betekent baren meestal ‘verschijnen’ of ‘tonen’, en slechts af en toe ‘zich aanstellen, tekeergaan’. In het Vroegnieuwnederlands komt baren, baeren (1530) frequent voor als ‘tonen, zich vertonen’; na 1700 verdwijnt deze betekenis. Baren ‘razen, schreeuwen, brullen, loeien’(1599) komt tot ca. 1800 in literaire bronnen voor, daarna is het alleen een dialectwoord (bijv. Noordhollands beren ‘schreeuwen’).

Verwanten: Middelnederduits baren ‘tonen, aanklagen’, Oudhoogduits barōn ‘onthullen’, Oudfries baria, Oudwestfries bēria ‘bekendmaken, klagen’. Samen stammen ze af van een denominatief werkwoord *barōjan, een Westgermaanse afleiding van het bn. *bara- ‘bloot’ (zie Ned. baar ‘bloot’), dat ook in openbaar zit. De oorspronkelijke betekenis van dit baren was dus ‘blootleggen’.--Mdevaan 19 aug 2015 17:07 (CEST)