aling

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

aling bn. ‛geheel’

Middelnederlands aling ‘geheel’ (1294), bw. alinge ‘volkomen’, afl. alincklike bw. ‘geheel en al’ (1298 allingleke). Nieuwnederlands aling en alinck. Wordt voornamelijk in oorkonden, plaatselijke verordeningen, keurboeken, handvesten en andere niet-literaire bronnen gebruikt, en raakt na 1700 buiten gebruik. In moderne dialecten nog bekend in oostelijk Noord-Brabant als alling en in noordoostelijke dialecten als aolng, aolnk, vergelijk ook Westfaals āling, -k ‛heel, gezond’.

Verwante vormen: Oudhoogduits alanc en alonc ‛onbeschadigd, geheel, volkomen’, Oudsaksisch alung ‛geheel’, Mndd. alinc, Oudfries ālong ‘geheel; eeuwig’, Oudengels eallunga, eallinga bw. ‛geheel’, ealling ‘altijd’, Oudijslands ǫllungis bw. ‛zeker’.

De suffixvariatie tussen o/u en a in het Oudgermaans wijst op twee PGm. vormen, *alunga- en *alanga-. De vervanging van *-ung door -ing is in het Nederlands en Nederduits een productief proces geweest, zie onder -ing. Het bn. *alunga-, *alanga- is afgeleid van de Germaanse stam *ala- ‛alle, geheel’ die bestond naast *alla- waaruit Ned. alle voortkomt; zie verder onder al. In afleidingen zet het Nederlands meestal *alla- voort, maar het Mnl. bewaart nog herkenbare sporen van *ala-, bijv. in aelmachtig ‛almachtig’.--Mdevaan 18 nov 2014 15:59 (CET)

alijk bn. ‘geheel’

Een veel zeldzamer variant in de oudere bronnen is alijk (Holland, 1285), 17e-eeuws aallyk, waarnaast ook nog aelig voorkomt (1485). Het woord wordt op dezelfde manier gebruikt als aling, bijv. in de uitdrukking alinge/alike soene ‘gehele verzoening’: met aliker zoene (Holland, 1285), die alinge zoene (Holland, 1420). In moderne dialecten komt alik bn. ‘geheel’ nog in het oostelijke Limburgs voor.

Qua vorm lijkt alijk erg op Mnl. allike ‘gelijkelijk, evenzeer’, ook in allikewel ‚evenwel’, bij Kiliaan „Vlaams Hollands” allick. De woorden met all- zijn de Nl. verwanten van Ohd. allīh ‘algemeen’ (bij Notker vernieuwd tot allelīh), Mhd. allich, ellich ‘algemeen, algeheel’, Mnd. allike bw. ‘volkomen’, Oudengels allíc ‘algemeen’. Daarvoor kunnen we WGm. *alla-līka- ‘algemeen’ reconstrueren. Maar alijk, met zijn gerekte a- aan het begin, zet een vorm *ala-līka- ‘geheel’ voort. Mogelijk is de betekenis van alijk beïnvloed door het ook met *ala- beginnende aling.--Mdevaan 18 nov 2014 15:59 (CET)