ai

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

ai tw. uitroep van verdriet, pijn, negatieve verbazing

Vroegmiddelnederlands ai (1220–1240) ‘helaas, ach, wee’. Gecombineerd met mi in de vaste verbinding ai mi, aymi ‘wee mij’ (1265). Soms ook voor verwondering of aanmaning gebruikt: ay vrient! ‘toe vriend!’ (1320–1330). Nieuwnederlands aij (1504), ay, ai, naast aij mij (1541) met varianten amij, amy (1623) en ayme (1605). Het artikel ai in WNT, geschreven in 1877, zegt over de verhouding van ai tot ei: “Als uitroep van verlangen, van opwekking enz. is Ai! synoniem met Ei! en alleen in zooverre daarvan verschillend, dat Ai! in den hoogeren en dichterlijken stijl wordt gebezigd en meer een smeekenden of vleienden toon onderstelt, terwijl Ei! in de gewone spreektaal de gewone opwekking is.” In 1916 heet het van ei reeds dat het “niet meer algemeen” is. Uit de moderne Noordnederlandse spreektaal is ei verdwenen. Verwante vormen: Mhd. ai, ay, ahī.

Voor uitroepen van emotie worden vaak de uitersten van de klinkerdriehoek gebruikt (ie, aa, oe), al dan niet in combinatie met een glide (j of w in het Nederlands): aa, oo, a-j, a-w, oe-j, ie-w, enz.

Het is onzeker of Ned. en Mhd. ai teruggaan op een Germaanse uitroep *ai!, die verwant zou zijn aan, bijvoorbeeld, Litouws ai, Oudgrieks , Latijn ai, Oudfrans ahi, MoFra. aïe. Een Oudgermaans *ai zou in het Nederlands klankwettig ee of ei opleveren, maar uitroepen ontlopen soms de regelmatige klankontwikkeling doordat ze steeds opnieuw worden gevormd. Theoretisch kan Ned. ai ook nog als literaire vorm aan Frans ahi zijn ontleend.--Mdevaan 9 aug 2015 13:04 (CEST)