prijken

Uit Etymologiewiki
Versie door Olivier van Renswoude (overleg | bijdragen) op 2 mrt 2016 om 19:37
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

prijken ww. ‘pronken’

Vroegmiddelnederlands priken ‘de handen in de lucht steken’ of ‘in de handen klappen’ (1265–70), Laatmnl. priken ‘ophef maken’ (1390–1410), priker ‘snaarspeler’ (1479), prikersse ‘snaarspeelster’ (1479), en met een andere klinker preycken (1477); Nnl. prijcken ‘zich opzichtig gedragen, pronken; in het oog vallen’ (1524), ‘talmen, aarzelen’ (1550; meestal in sonder lang prijcken); prikinge ‘overwinningsfeest’. Moderne dialectvarianten: Westvlaams prieken ‘op kraambezoek gaan’, Limburgs prieker ‘weifelaar; vitter’. Het langdurig stilstaan of -zitten tijdens het ‘pronken’ verklaat de latere overgang naar ‘aarzelen’. Verwant: Mnd. prēken ‘pronken’.

Indien de woorden teruggaan op het Westgermaans, veronderstellen ze *prīk- en (voor Mnl. preycken en Mnd. prēken) *praik-. Qua betekenis en vanwege pr- ligt het voor de hand om prijken te verbinden met pronken, Mnd. prunken ‘pronken, pralen’, en met Mhd. branc, pranc ‘pralerij, pronk’, Mohd. prangen ‘prijken’, Engels prank ‘pronken’, prink ‘zich opdirken’. Die wijzen op WGm. *prunk-, *prank-, *prink-. Het Middel- en Nieuwnederlandse prangen ‘klemmen, drukken’ heeft dezelfde vorm als Hoogduits prangen ‘prijken’, en gaat, getuige Gotisch ana-praggan ‘drukken, dringen’, op een oudere variant PGm. *prang- terug. De overgang van ‘drukken’ naar ‘pronken’ heeft zich mogelijk via ‘vastklemmen’ en ‘vastgeklemd, zichtbaar zijn’ afgespeeld, al kan specifiek voor prijken vanwege de oudste betekenis ook aan ‘de handen samendrukken’ > ‘opvallen’ gedacht worden.

Naast *prangan- bestond het iteratief *prakkōn- ‘persen, prakken’, dat in Nederlands prakken bewaard is (Kroonen 2013: 399; de Indo-Europese etymologie van het werkwoord is onzeker). De k van *prakkōn- is ingevoerd in het oudere *prang-, waardoor pronken en de andere boven genoemde nk-varianten ontstonden. Prijken moet als variant van prakken zijn ontstaan, maar de herkomst van de *ī in prijken is niet duidelijk. Mogelijk hoort hierbij ook Mnl. prighen ‘zich inspannen, strijden’, waarvan priegelen ‘peuteren’ afstamt; maar daarover een andere keer.--Mdevaan 27 okt 2015 10:38 (CET)


prijken ww. ‘pronken’

Mnl. priken ‘juichen; pralen’ in die v sal don van ioijen priken [1265-70], hen en halp dammen no diken noch goen overmoedech priken [1351-1400], vnnl. prijcken, prijken, pryken ‘zich opzichtig gedragen, statig zijn, in het oog vallen, pralen,’ in gaet niet hooveerdelijc lancx der straten prijcken [1526-67], wat sullen wy dan in sulcken bruyloft doen nichte? Met u stillekens zitten prijcken? Sonder Danssen, Springen, ende Boerten? [1570], wie en ziet ’er niet, dat in uw zachte lipjes een prille rooze prijkt [1644], nnl. prijken ‘pronken’ in het bosch prijkt frisch gekleurd [1860]. Ablautend zijn bovendien laat-mnl. preycken ‘pronken’ en mnd. preken ‘pronken’.

Daarnaast met -g- ook mnl. prigen, prighen ‘zich schrap zetten, (opwaarts) streven, strijden’ in ende prighede elc vor sine vorste [1285], daer en was geen jegen prigen [1390-1405], opwaerts al springhende te prighen [1440-60] – later beperkt tot Zuidhollands priegen ‘ijveren, inspannen, haasten’. Afgeleid hiervan is mnl. prijch ‘ijver, strijdlust; strijd; krijgsroem’.

Dat de p- expressief verscherpt is uit pgm. *b- blijkt uit enkele ongetwijfeld verwante woorden: dichterlijk on. brík ‘vrouw’, nno. brik ‘grote, statige vrouw’, nno. briken ‘mooi, statig’, brikja ‘hoog oprijzen; glanzen, pronken’ en Gronings, Drents briek ‘dreigend; wijdbeens; zonderling; buitensporig; scheef’ (< *‘opstaand, opvallend, schrap’).

Voor het onderhavige werkwoord kunnen we dan uitgaan van pgm. *brīkjan-, *brīgjan-. De vorm met -k- is ontstaan o.i.v. het bijvoeglijk naamwoord *brīka- (zie onder). De andere vorm is oorspronkelijker en beantwoordt exact aan Grieks phrī́ssō ‘overeind (gaan) staan’, daarmee teruggaande op pie. *bhriHk-ié-, bij de wortel *bhreiHk- ‘rechtop staan’ (LIV2 93).

Pgm. *brīka- (Gronings, Drents briek en in tweede instantie nno. brik v., briken) is met medeklinkerverkorting ontstaan uit *brīkka-, de voortzetting van pie. *bhr(e)iHk-nó-. De *-kk- i.p.v. de te verwachten *-g- is volgens de wet van Kluge ontstaan door absorptie van de *-n- vóór een beklemtoonde lettergreep. Vergelijk de vormontwikkeling van pgm. *deupa- ‘diep’ uit ouder *deuppa- en uiteindelijk pie. *dheubh-nó-.

[O.E.C. van Renswoude]